DE ENGELSE SETTER.
In kleur en allures heeft de Engelse setter nog het meest van de oude Setting spaniel, de voorlooper van alle Setter variëteiten en vele continentale staande honden rassen. Hij is niet zo fors gebouwd als zijn Schotse neef, de Gordon setter, wat minder op snelheid dan de Ierse setter. Zijn tegenwoordig type heeft hij te danken aan het werk van twee mannen, Edward Laverack en Purcell Llewellyn, die ieder een leven aan de opbouw van dit ras gaven.
Laverack werd in 1798 geboren en van 1825 tot zijn dood in 1877, dat is dus ruim 50 jaar, fokte hij Engelse setters. Volgens zijn in 1872 verschenen boek „The Setter” zou hij zijn stam geheel hebben opgebouwd uit slechts twee honden, n.l. Ponto en Old Moll. Dit zou dan een uiterst sterke inteelt zijn geweest. Of dit verhaal van Laverack evenwel geheel juist is, mag worden betwijfeld. Hij zelf spreekt reeds over „de geheimen van mijn fokkerij” en, uit de kleuren die hij
Shipka Dean of Crombie
vermeldt uit bepaalde paringen te hebben verkregen, mag op genetische gronden de conclusie worden getrokken, dat dit niet mogelijk kan zijn. Maar in elk geval, Laverack heeft de grondslag gelegd voor de moderne Engelse setter, wat dan ook zijn fokkerij-geheimen mogen zijn. Nog spreekt men, vooral in field-trial stammen, graag van Laverack setters, een erenaam die hem zeker toe komt.
Na het overlijden van Laverack kwam een deel van zijn honden in handen van Llewellyn. Deze vond de zuivere Laverack setters toch niet datgene wat hij zich als jachthond wenste. Hij kruiste daarom Ierse setter bloed in. Wel kreeg hij op deze wijze prachtige exemplaren, zijn teef Flame werd als roodwitte Engelse setter tentoonstellingskampioene, maar in het werk waren ook deze kruisingsprodukten nog niet dat wat hij zocht. Wel werd Flame een der voorlopers van de huidige tentoonstellings-Engelse-setter, maar in de jaren van Llewellyn stelde men nog meer prijs op gebruiks- en dan op showkwaliteiten.
In 1871 verschenen op de field-trials te Shrewsbury twee setters, Dan en Dick. Hun werk scheen vrijwel volmaakt en beide werden door Llewellyn, die toen reeds Laverack setters bezat, gekocht. Later kocht hij ook nog een nestzuster, Dora genaamd. Deze honden waren van een Engelse setter vader, Duke, uit een black-tan and white moeder, Phoebe, die feitelijk een Gordon setter was. Het nest waaruit Dick, Dan en Dora stamden bestond uit liefst 19 pups, waarvan er maar 10 bij de moeder waren gelaten
Door nu deze halve Gordons te kruisen met zijn Laverack setters, kreeg hij na enkele geslachten eindelijk wat hij zocht: goede en ook mooie setters. Op deze wijze gefokte setters werden Llewellyn's genoemd, een naam die nog thans in Amerika veel wordt gebruikt. Veel van zijn fokprodukten verkocht Llewellyn dan ook naar de U.S.A.
Door het in later jaren scherp splitsen van tentoonstellings- en field-trialstammen, zijn in dit ras feitelijk twee typen ontstaan. De zuivere werkstammen lijken nog veel op de oude Setting spaniel.
Van karakter is de Engelse setter de zachtste, de liefste van de drie soorten. Hij moet, zoals trouwens alle Britse honden, niet „gedrild" doch „geleid" worden. Als huishond vooral bij dames zeer in trek. Jammer dat men in ons land deze prettige en buitengewoon decoratieve hond niet wat meer waardeert. In Engeland staat hij thans op een hoogtepunt. De aantallen op de tentoonstellingen ingeschreven evenaren, ja overtreffen soms, die de Ierse setter.
De huidige Engelse setter heeft vele kleuren, doch altijd moet het wit sterk overheersen. Zeer typisch zijn de kleurvlekjes van gemengde en witte haren, die het zgn. „belton" patroon geven. Zo kent men: blue-beltons, orange-beltons, lemon-beltons en, zeer zelden, liver-beltons. Ook driekleurige, meestal blue-belton and tan, komen tegenwoordig veel voor. Grote kleurplaten op het lichaam zijn ongewenst
Engelse setters worden bijna wit geboren (tenzij zij kleurplaten hebben). De kleine vlekjes van het belton patroon komen eerst later door. Veelal wordt gedacht dat de Engelse setter de kleinste der drie variëteiten zou zijn. Volgens de raspunten evenwel, zijn reuen van 65 tot 68 cm, teven van 60 tot 65 cm hoog. Deze maten geven niet bepaald een kleine setter aan!
Nu zijn kleur en grootte niet de enige eigenschappen die een Engelse setter van soortgenoten onderscheidt. Ik zei het in het begin reeds, zij zijn niet zo racy, zo slank gebouwd als de Ier, minder fors dan de Gordon. Bij deze bouw natuurlijk ook een ander hoofd. Ik zou willen zeggen dat het Engelse setter hoofd smal en diep behoort te zijn, met een duidelijke, evenwel niet overdreven diepe stop. Deze laatste, de wat erg diep stop dan, ziet men nog al eens bij Engelse setters in Frankrijk, die sterk de indruk maken, dat de Pointer niet voor overdrijvingen. Net dat beetje diepere lippen, of smallere schedel, kan tot winnen aanleiding geven. Het normale gevaar bij populaire rassen!