DE GORDON SETTER.
De Gordon of Black and tan setter, zoals hij een tijdlang heeft geheten, heeft zijn stamland in Schotland. Black and tan setters hebben reeds lang bestaan. Een schilderij van ongeveer 1500 toont reeds een black and tan Setting spaniel. Maar het is in Schotland dat deze kleurvariëteit het meeste werd gewaardeerd.
Hoewel aanvankelijk de Engelse en de Schotse setters door elkander werden gefokt, men lette in vroeger dagen minder op kleur dan op jachteigenschappen, schijnt men de Black and tan toch al vroeg als een afzonderlijke variëteit te hebben beschouwd. In „A treatise on Field Diversions”, een boek dat in 1776 verscheen, wordt reeds gezegd: Al 50 jaar geleden onderscheidde men twee soorten setters, te weten de black-tans en de orange- of lemon and whites.
De eerste die doelbewust trachtte black and tan Setters te fokken, was de vierde Duke of Gordon, die van 1743 tot 1827 leefde. In zijn kennels op Gordon Castle bezat en fokte hij vele black and tan setters, al waren er ook verscheidene anders gekleurden in de nesten. Trouwens wit zagen zowel Duke Alexander als Duke George gaarne bij hun jachthonden, zij staken dan beter af bij het terrein.
Toen in 1836 Duke George, de laatste Duke of Gordon, stierf, werden de honden openbaar verkocht. Hierbij was de black-white and tan Young Regent, die in oude stambomen nog terug te vinden is
Natuurlijk is ook de Gordon setter met andere rassen gekruist. Zo gaat het verhaal dat op Gordon Castle eens een Schotse werkcollie, bekend om zijn "gamefinding tact" zou zijn gebruikt. De soms licht gebogen staart bij de Gordon, in oude raspunten nog voorgeschreven als "Scimitar" staart (in de vorm van een Turks kromzwaard), zou van deze kruising afkomstig zijn. Ter verbetering van de neus is zonder twijfel van een Hound, waarschijnlijk van de black and tan Bloodhound gebruik gemaakt. Hierdoor zou de Gordon evenwel wat al te zwaar en log zijn geworden. Ten einde dit euvel weer op te heffen en hem wat lichter en sneller te maken, zou van Ierse setters gebruik zijn gemaakt. Dit had bovendien het voordeel, dat het tan (roestbruin) van de Gordon een mooiere tint kreeg. (Zie voor het dubbelzijdige van deze kruising de Ierse setter).
In nesten Gordons komen dan ook nog wel eens geheel rode pups voor, die hoewel niet toegelaten op de tentoonstelling, wel in bijlage A van het N.H.S.B. worden ingeschreven en waarmede dus wel mag worden gefokt. Zij verschillen n.l. slechts in één erfelijke factor met een black and tan gekleurde hond. De black and tan pups uit het nest van een black and tan en een rode (mogelijk zelfs alle black and tan) verschillen in niets van een normale Gordon.
De eerste hondententoonstelling ter wereld werd in 1859 te New Castle gehouden. De setters werden toen nog alle tezamen gekeurd. De 1ste prijs behaalde de Gordon Dandie. Toen op een in hetzelfde jaar te Birmingham gehouden tentoonstelling ook weer een Gordon won, dit was Brougham, was men van mening dat hun black and tan kleur hun een voorsprong had gegeven. In het vervolg werden toen voor black and tan setters afzonderlijke klassen ingesteld.
In de zeventiger jaren kwamen nog 2 typen Gordons voor, de grove, zware honden waaraan de Bloodhound niet vreemd was en de lichtere snelle honden waaraan de Ierse setter invloed duidelijk viel waar te nemen. In het einde der vorige eeuw werd het Gordon type feitelijk vastgelegd. In de Heather kennels van Robert Chapman uit Schotland werden prima Gordons gefokt, van het middelzware type en over de gehele wereld geëxporteerd. Vooral zijn reu Heather Grouse heeft een grote invloed gehad en komt nagenoeg in elke stamboom voor.
Merkwaardig is in de Gordon geschiedenis van de latere jaren, dat hij gedurende enkele jaren zeer in trek was, om dan, zonder bekende reden weer terug te vallen, om slechts sporadisch voor te komen. In Scandinavië is hij lange tijd bijzonder goed vertegenwoord geweest. Men had daar veel Heather honden ingevoerd, maar door het fokken op te grote snelheid is hij daar thans erg achteruit gegaan. Ook Frankrijk heeft goede Gordons, maar ook daar heeft de concurrentie
Gordon setter, aantrekkend voor wild. Op de veldwedstrijden de fokkers verleid een te licht slag te fokken. In ons land heeft hij tegenwoordig een hoge stand bereikt en verscheidene van onze Nederlands gefokte honden winnen op buitenlandse tentoonstellingen.
De Gordon setter behoort een flinke, forse hond te zijn, zonder grofheid of logheid. Niet hoger dan de andere variëteiten, de raspunten geven voor reuen ongeveer 66 cm, voor teven 62 cm hoogte aan, is hij forser van bouw en zwaarder van lichaam. Het hoofd met duidelijke stop en diepe, doch niet overhangende lippen, past op deze forse hond. Belangrijk is de kleur, black and tan, d.w.z. geheel diep, koolzwart met rood-bruine aftekeningen aan snuit, keel, enen en voeten. Twee kleine tan vlekjes boven de ogen en twee grotere op de borst. In het tan moet geen zwart voorkomen, behalve dat dit op de tenen is toegestaan. Lichtgeel, strokleurig tan is zeer verwerpelijk. De beharing is zwaar, vlak of licht golvend, maar niet gekruld. Evenals bij de andere variëteiten met franje aan borst, benen, oren en staart. De Gordon is een goede jachthond, niet te snel en gaat graag te water. Daardoor zeer geschikt voor Nederlandse terreinen.
Als huishond is hij rustig, meestal goed waaks, dikwijls zelfs genegen om baas en vrouw te verdedigen. Een enkele wil als jonge hond nog wel eens wat verlegen zijn. Dit gaat er, evenals bij kinderen, later geheel uit.