De Engelse Setter


Boy de Bok 1997(De Hondenwereld)

John Caius schreef in het eerste boek over honden, dat uitkwam in 1570, reeds over de Setter. Tussen de 16de en 19de eeuw hadden veel adellijke familie's in Engeland een eigen stam Setters die men ook onderling kruiste. Het was uiteindelijk Edward Laverack die in 1825 met deze kruisingen begon te fokken en het bloeitijdperk van de Engelse Setter inzette. Toen hij in 1872 zijn boek 'The Setter' publiceerde waren er vermoedelijk al Engelse Setters in Nederland.

1875 - 1918

De pionier op het gebied van de Engelse Setter in Nederland was de heer G. J. van der Vliet uit Overveen, eigenaar van de kennel 'of Overveen' en niet van kennel 'Duinzicht' zoals vermeld wordt in de diverse naslagwerken. De heer Van der Vliet was een gepassioneerd jager en een verwoed hondenliefhebber. Hij reisde heel West Europa en Engeland door om met zijn Pointers deel te nemen aan veldwedstrijden en hondententoonstellingen. Vermoedelijk is hij op deze manier in aanraking gekomen met de Engelse Setter. Hij was het die de Engelse Setter naar Nederland bracht, echter niet vanuit Engeland maar uit België. De heer Van der Vliet zag al vroegtijdig het belang van een goed hondenstamboek in en zijn eerste Engelse Setters werden in het Belgische Hondenstamboek, het LOSH, ingeschreven. Later werden zijn honden overgeschreven naar het NHSB.

Van 1875 tot 1900 domineerde Van der Vliet met zijn Engelse Setters de showring en de veldwedstrijden, echter bijna altijd met gekochte honden die bij de registratie zijn kennelnaam 'of Overveen' kregen toegevoegd. Als fokker was hij niet zo succesvol als de oude kronieken ons willen doen geloven.

Zijn allerbeste Engelse Setter was Blue Jack of Overveen. Geboren op 15 maart 1894 uit Blue Bess, LOSH 2338, door Wild Jim, LOSH 3233, gefokt en afgericht door M. Red. De la Kethulle de Ryhove uit België. Deze reu blonk uit op de veldwedstrijden, hij won onder meer de Internationale Fieldtrial van Susteren, de Internationale All-Aged stake van de Pointer and Setter Society in Engeland en de Fieldtrial in Cuts (Frankrijk). Ook op de tentoonstelling werd hij meerdere malen bekroond.

Inmiddels steeg de populariteit van de Engelse Setter in Nederland en er werd veel gefokt. De meest gebruikte reuen waren Tam Tam of Overveen, Wild Dick of Overveen, de al eerder genoemde Blue Jack of Overveen en de uit Engeland afkomstige Nanki-Poo. Bekende fokkers uit die tijd waren C. Verduin met kennelnaam 'Wildduin', mej. L. Platteeuw met kennelnaam 'My Pleasure' en A. Coppens met kennelnaam 'Careful'. Door toedoen van de steeds belangrijker wordende tentoonstellingen werd er meer en meer gefokt op uiterlijk schoon en na 1900 was het aandeel van de werkende Setter te verwaarlozen. De heer Van der Vliet had toen, als exposant en fokker, de handdoek al in de ring geworpen. Later zouden wij hem terug zien als voorzitter van de Raad van Beheer op Kynologisch gebied in Nederland en als voorzitter van de Koninklijke Nederlandse Jachtvereniging „Nimrod”.

In Engeland had de heer T. Steadman inmiddels wereldfaam opgebouwd met zijn Mallwyd Engelse Setters. Deze waren op de tentoonstellingen bijna onverslaanbaar en het duurde dan ook niet lang of de eerste Mallwyd Setters kwamen naar Nederland. Het was ook een Mallwyd Setter die, als eerste Engelse Setter, in 1909, de titel Nederlands kampioen kreeg. Deze eer ging naar Mallwyd Mumm van mevr. G. Pain Stricker-Brugman.

Aangemoedigd door het succes van Mallwyd Mumm importeerde mevrouw Pain Stricker uit Engeland nog de teven Norina, een dochter van Mallwyd Mumm uit Queen, en Birkby Beauty uit de combinatie Mallwyd Ned (nestbroer van Mallwyd Mumm) en Birkby Meg. Birkby Beauty werd in 1911 definitief Nederlands kampioen.

Binnen het tijdsbestek van nauwelijks twee jaar kwamen er negen Engelse Setters uit de Mallwyd-kennel naar hier. Door de vele goede importen en het kundige fokken stond de kwaliteit van de Engelse Setter in Nederland voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog op een zeer hoog peil. Toch werd in die periode slechts een in Nederland gefokte Engelse Setter Nederlands kampioen. Deze titel was voor de teef Benjamin's Sanneke (NHSB 2961) in 1910. Sanneke werd gefokt door de heren Stork en Belder te Soest uit Koko's Freya door Careful Blue Bob.

Ondertussen waren er uit de vele stammen Setters in Engeland slechts drie variëteiten overgebleven, de Ierse, de Gordon en de Engelse Setter. Bij de Engelse Setter begon er zeer duidelijk verschil te ontstaan tussen de honden die deelnamen aan de veldwedstrijden en zij die deelnamen aan de tentoonstellingen. Eerst genoemde waren klein, hadden weinig beharing, waren iel en naar de kleur werd niet gekeken. De showexemplaren waren zwaar gebouwd en men fokte de kleur steeds lichter; exemplaren met veel platen waren ook toen al minder gewenst.

In de ons omringende landen werden voornamelijk Engelse Setters voor de jacht gefokt. In Nederland daarentegen waren de jachtsetters naar de achtergrond verdreven en werden er hier alleen nog showhonden gefokt. Daardoor zat Nederland met zijn Engelse Setters in Europa op 'n eiland en het zou nog tot eind jaren tachtig duren voordat onze fokproducten weer gevraagd zouden worden.