Bekijken we nu de foto van de Engelse Setter uit Engeland dan zien we een stevige, matig lange hond met een korte horizontale rug, goed gehoekt in voor- en achterhand, diepe borstkast met voldoende voorborst en vooral veel ruimte bij de achterste ribben. De hond heeft als het ware een ovale onderbelijning. Duidelijk is te zien dat dit exemplaar een stevige nek heeft en dat de staartaanzet net onder de rugbelijning zit. Het haarkleed is lang en golvend. Deze hond voldoet in grote mate aan de eisen gesteld in de rasstandaard.
Bij het aanschouwen van de foto van de Amerikaanse Engelse Setter zien we een heel ander plaatje. Een wat racy gebouwde hond, vrij lang van lichaam met een matig gehoekte voorhand en een overhoekte achterhand. De ribbenkast is weliswaar diep maar mist voorborst en mist de ovale onderbelijning. Niet te zien op de foto, maar wel vereist volgens de Amerikaanse standaard, is de vrij vlakke ribbenpartij terwijl de Engelse een brede gewelfde ribbenkast eist. Ten opzichte van de vorige foto valt duidelijk het dunne nekje op en de zeer sterk aflopende toplijn. De staartaanzet is op een lijn met de rug en de staart wordt duidelijk boven de ruglijn gedragen. De vacht is kaarsrecht zonder golven. Dit alles geeft meer het profiel van een slechte Ierse Setter dan van een Engelse Setter. Maar deze hond voldoet wel aan de eisen gesteld in de Amerikaanse standaard voor de Engelse Setter.
Bij de werksetter valt meteen de stand op. Zo staat echter de Engelse Setter voor en niet op de manier zoals ze op de tentoonstelling worden neergezet. Komt de hond nog dichter op de patrijs dan zal hij z'n lichaam nog dieper tussen de ellebogen laten zakken; vandaar dat men een losse elleboog wenst. Dit wordt echter bij de showsetter vaak als fout aangerekend. Deze hond is uitstekend gehoekt in voor- en achterhand, heeft een goede horizontale rugbelijning en een sterk gespierde nek. De Engelse Setter is een galoppeur en hiervoor is een hellend bekken een vereiste. Bij dit exemplaar is dit duidelijk te zien. Ook duidelijk zijn de minder gewenste grote vlekken op het lichaam. Deze hond voldoet eigenlijk best wel aan de eisen van de rasstandaard, al is het in bescheiden mate.
Als we nu alles op een rijtje zetten, voldoet de Amerikaan eigenlijk niet aan de standaardeisen die hier in Nederland van kracht zijn. Deze hond is duidelijk gefokt aan de hand van een zeer sterk afwijkende standaard. De werkelijkheid is echter dat als deze drie langs elkaar in de ring zouden staan de werksetter met een G'tje bij bordje drie mag gaan staan en de keurmeester eindeloos staat te dubben wie hij van de overige twee, met een dikke U, bij bordje een en twee zal gaan zetten. Al te lang staat vast dat veel keurmeesters de rasstandaard niet of nauwelijks kennen of deze te vrij interpreteren. Het is al veel vaker gezegd maar voor alle duidelijkheid nog maar een keer: men fokt wat de keurmeester bij het bordje één zet. Het zijn dus uiteindelijk de keurmeesters die een ras naar de filistijnen (kunnen) helpen. Dus ook voor hen, wees zuinig op de Engelse Setter, de aristocraat onder de jachthonden.
Nog eens zo'n mooie, zo'n echte, Engelse Setter.
Bron: De Hondenwereld 1997
Tekst: Boy de Bok