1918 - 1950
Shiplake Supersonic (foto hoofd)
Alhoewel Nederland neutraal was tijdens de Eerste Wereldoorlog waren de oorlogsjaren funest voor de Engelse Setter. Doordat de ons omringende landen betrokken waren bij de oorlogshandelingen lag Nederland volkomen geïsoleerd en konden geen nieuwe honden worden geïmporteerd. Door de constante dreiging ook bij de oorlog betrokken te worden werd er slechts sporadisch gefokt.
Direct na het beëindigen van de oorlog bleek van het zorgvuldig opgebouwde Engelse Setterbestand niet veel meer over te zijn en men was wederom gedwongen om te importeren. Ook de fokkers van het eerste uur waren blijkbaar van de aardbodem verdwenen. Alleen Pain Sticker zien we nog terug in de showring maar dan als keurmeester.
In Engeland was de Mallwyd-kennel van T. Steadman inmiddels overgegaan naar zijn zoon David en deze veranderde de kennelnaam in 'Maesydd'. Deze kennel zou later een flinke bijdrage leveren aan de wederopbouw van het ras in Nederland.
Aan de heer de Valk uit Rotterdam de eer dat hij als eerste Nederlander, na de Eerste Wereldoorlog, 'n Engelse Setter uit Engeland naar hier haalde. Het was de teef Carency Corinne uit de combinatie Sh. Ch. Marshfield Marksman x Crawshay Renie. Deze teef kreeg op 29 maart 1924 een nest van Double Hackle (Alph x Speedonia) en hieruit kwam de reu Lord Aubrey die in 1929 Nederlands kampioen werd. Na dit nest werd Carency Corinne verkocht aan J. Groothuis en hier kreeg ze in 1925 een nest van Holmhead Rex. Deze reu was door J. Groothuis uit Engeland geïmporteerd en kwam uit de combinatie Ch. Crossfell x Holmhead Bess. De reu Crossfell was in Engeland een veel gevraagde dekreu, niet alleen om z'n fraaie verschijning maar ook omdat op zijn vijfgeneratiestamboom maar liefst elf maal een Mallwyd reu voorkwam. Uit België kwam de blue belton reu Chaplin, een zoon van eerder genoemde Ned. kamp. Lord Aubrey in combinatie met een in België gefokte teef, Lady de la Flandre Occidentale LOSH 14937. Kamp. Lord Aubrey en zijn zoon kamp. Chaplin namen in hun tijd bijna de helft van de dekgenoegens op zich zonder ook maar ooit een echte stempel op het ras te kunnen drukken.
In 1930 fokte mej. Knoester met kamp. Chaplin en Irma haar eerste nest onder de kennelnaam 'of Heathflower'. Na haar huwelijk, en nu mevr. A. Timmermans-Knoester geheten, veranderde zij haar kennelnaam in 'Abbotsford'.
Uit Engeland haalde zij de latere Nederlandse kampioen teven Tulia of Kingstree en Jennifer of Fermanar. En de Nederlands kampioen reuen Ch. Marks Patrol, een blue belton x Killian of St. Rocco een lemon belton en de tricolor Punch of Ballymoy. Al deze importen stamden, via Maesydd Mustard, af van de al eerder aangehaalde Ch. Crossfell. Mevrouw Timmermans-Knoester, die inmiddels naar België was verhuisd, fokte veel en de meeste pups van haar kwamen in Nederland terecht. Uiteindelijk fokte zij drie Nederlands kampioenen wat voor die tijd erg veel was. De nestbroers, Chaplin's Charioteer of Heathflower en Chaplin's Charley of Heathflower werden kampioen in 1934. De tricolor teef Abbotsford's Camealone werd kampioen in 1941.
Ondanks de crisisjaren waren het gouden tijden voor de Engelse Setter in Nederland. Men kocht in Engeland het beste wat er te krijgen was. Uit de Fermanar (lees fair manner) kennel kwamen de reu Lance of Fermanar en de teven Loretta of Fermanar en Fantasy of Fermanar die in 1940 de Winner titel won. Loretta werd in 1935 Nederlands kampioen.
Mevr. van Herwaarden van de bekende 'Wagtail' Cockerspaniel kennel kocht de blue belton teef Petersham Solitaire. Mevr A. Liestert van de Fantail kennel importeerde Wistful of Weaversdown die haar eerste kampioen zou worden. Later haalde zij uit Engeland ook nog de reu Rombalds Knight, een zoon van Ch. Bayldone Baronet en Sally, welke Maesydd Mac als vader had. De heer Roosen, eigenaar van kennel 'de Belderhoek', kocht in Engeland van mrs. Crowter de tricolor teef Rombalds Cheeta die drachtig was van Ch. Bayldone Baronet en in Nederland vier pups ter wereld bracht. De al eerder genoemde Van de Valk haalde uit Engeland Shiplake Blue Boy en de lemon belton teef Shiplake Amber. Uit Amerika kwam Southboro Dickie naar Den Haag en net voordat de Tweede Wereldoorlog uitbrak kwamen uit Engeland nog de broer en zus Smike of Swo en Sandra of Swo.
Op Engeland na was nergens ter wereld de kwaliteit van de Engelse Setters zo hoog als hier in Nederland. Met gemak konden vele van onze honden zich meten met de beste in Engeland maar opnieuw brak er een oorlog uit en nu werd Nederland er wel in betrokken.
Vooral in de eerste jaren van de oorlog was men erg voorzichtig wat het fokken betrof. De fokkers gingen er vanuit dat de oorlog niet lang zou duren en men stelde de geplande nesten uit. De tentoonstellingen gingen in de eerste oorlogsjaren zo goed en kwaad als het kon gewoon door. Zo werden de al eerder genoemde teven Abbotsford's Camealone en Sandra of Swo Nederlands kampioen in resp. 1941 en 1942. De reu Roco Racer won in 1941 de Winner titel en werd in datzelfde jaar definitief kampioen. De laatste kampioen tijdens de oorlog was de reu Windward Austin van fokker eigenaar Th. Blok. In de eerste jaren van de oorlog fokte alleen A. Liestert en Th. Blok fokte een nest. In 1943 werden er zes nesten gefokt. Men kon blijkbaar niet aan het uitstellen blijven.
Foto Boisdale Angus
In 1944 werden er nog vier nesten gefokt. Het grootste probleem van het fokken was het verkrijgen van voldoende goed voer voor de pups. Hoe belangrijk de in 1930 opgerichte Vereniging van Liefhebbers van de Engelse Setters, kortweg VES was, bleek nu pas. Deze verzorgde de aanvragen voor extra voedseltoewijzingen bij het Rijksbureau Voedselvoorziening indien het nesten van uitzonderlijk goede ouders waren. Verder gaf men elkaar tips over hoe en waar slachtafval en et cetera te verkrijgen waren. Een van die tips was de volgende: „Het is in deze tijd van het jaar wel eens mogelijk een jonge bok te kopen. Geslacht en wel komt deze op Fl.4,- à FL.5,- zonder huid. Wanneer je nu zo'n bok in een grote pan of weckketel stopt en flink laat koken dan krijg je een geleiachtige massa met een hoge voedingswaarde.”
Een ander probleem was dat de vruchtbaarheid van de Engelse Setter altijd nogal te wensen overliet en dit nu in deze magere tijden een extra handicap was. Vele pogingen om te fokken strandden omdat de teef onvruchtbaar was of omdat de reu niet wilde dekken. Direct na de oorlog was het eigenlijk al te merken dat de Engelse Setter in Nederland op z'n retour was. Op de Winner van 1947 waren nog dertig Engelse Setters aanwezig, net zoveel als op de Winner van 1996. Dat echter de oude teef Sandra of Swo beste werd was eigenlijk al een teken aan de wand.
De basis om te fokken was erg smal geworden en een paar reuen verzorgden alle dekkingen. Hiero van de Belderhoek was hiervan eigenlijk nog de minst slechte. Hij kwam nog uit het nest dat de heer Roosen net voor de oorlog fokte met Bayldone Baronet en Rombalds Cheeta.
Rex van de Hooioplukkers was de eerste naoorlogse kampioen. Deze in 1944 geboren reu was eerst eigendom van Piet van Rijsel maar deze deed hem van de hand omdat de hond absoluut weigerde te jagen. Piet van Rijsel kocht hierna Pointers en zou met zijn kennel 'van de Sonse Bergen' wereldroem oogsten.
Kort samengevat kan men zeggen dat de periode tussen 1918 en 1950 de belangrijkste was voor de ontwikkeling van de Engelse Setter. Het ras was in Engeland in handen van uiterst bekwame fokkers die uit al die verschillende stammen van nog maar honderd jaar terug een prachtig ras hadden opgebouwd en deze verspreid over de hele wereld. In Nederland was het ras, door het zeer kundig importeren en fokken, qua kwaliteit op gelijke hoogte gekomen als in het moederland. Tot op de dag van vandaag is dit niveau in Nederland nooit meer bereikt.