Alhoewel meestal de standaard niet of nauwelijks wordt veranderd, zo ook de Setters. Maar wanneer we de afbeeldingen van de Ierse Setters bekijken van toen en nu, dan moet ik constateren, dat de Ier de minste veranderingen heeft ondergaan in bouw. Natuurlijk is hij veranderd, vooral in hoofd. Het geheel is veel adellijker geworden, hij is ook niet meer de "werkman" van vroeger, maar de elegante, sportieve "heer" of "dame" van veel Settervrienden. Hij is mede door zijn fraaie, warme, rode kleur de meest populaire van de drie Settervariëteiten. Voor de jacht wordt ook hij zeer sporadisch gebruikt. De trots van de bevolking van Ierland is o.a. het paard, de Ierse Wolfshond en de tegenwoordige Rode Setter.

Foto 4: "Nat", Setter blanc et orange A. M. Burschell, Prix d'honneur, Exposition Canine des Tuileries 1882

Foto 5: "Stop", Setter blanc et orange à M. Félix, Premier Prix, Exposition Canine des Tuileries 1882

Veel is niet over hem opgeschreven door de Ieren, wat wel jammer is, alleen een schilderij van Anth. van Dijck van 1635, voorstellende Z.K.H. Koning Karel II met een op een Ier gelijkende bonte hond. Want het lijkt misschien vreemd, maar de Ieren waren meestal wit met oranje platen (zie foto's no. 4 en 5). Daarnaast waren de éénkleurigen n.l. de roden. De éénkleurigen kwamen het meest voor in het noorden, (zie foto 6) De gevlekten meer in het westen en zuiden van Ierland. Bij de Ieren zelf was de kleur van hun hond bijzaak, als ze maar goed waren voor hun werk en dat waren ze, want op de rotsachtige grond van Ierland bleek de Ier het beste te voldoen. Dat er in de aanvang meer bonten waren dan roden, blijkt wel uit de aantekeningen van de heer King. Hij hield een statistiek bij, waaruit bleek, dat van 1863 tot 1873 de rood-witten in de meerderheid waren. Vooral de jagers waren zeer verbolgen, toen in 1885 de Irish Red Setter Club besloot de rood-witten in de ban te doen. Ze meenden, dat de bonten beter in het veld te zien waren. Vooral de roden waren nog wel eens "zoek", als ze, vooral op de uitgebloeide heide, voor stonden.

Tot de oudste stam behoort wel die van Sir Francis Lofthus en die van Lord Rossmore, ongeveer 1817. Tot 1904 waren op de tentoonstellingen de roden en de bonten gescheiden en zij werden afzonderlijk gekeurd. De bonten hebben bovendien invloed gehad op de fokkerij van de Engelse Setter. Ook Frankrijk heeft nog tot het begin van deze eeuw bonte Ieren gekend. Promotor aldaar was R. Graaf van Montbron. Zij werden "Schotse Setter" genoemd. Na vele andere prominenten mag zeker genoemd worden mrs. Ingle Bepler van de bekende Rheola kennel, die ook enkele goede Ieren naar ons land exporteerde. Grote invloed op het ras heeft o.a. gehad de reu Palmerstron. Alhoewel door zijn baas ter dood veroordeeld op 5-jarige leeftijd, omdat deze dacht, dat hij "op" was, heeft hij na zijn meedding van de dood nog tot zijn achttiende jaar zijn diensten bewezen en het tot "Champion" gebracht. Palmerston had een wit sterretje op het voorhoofd, dat we nu nog "palmerston stip" noemen. Een beroemde zoon van hem was Ch.

Garry Owen die op de show in Amsterdam in 1894 veel belangstelling trok. Veel invloed op de fokkerij heeft ook mrs. Walker gehad met haar Hartsbourne Setters. In ons land is de kwaliteit van de Ierse Setter, dank zij goede en weldoordachte importen altijd op een zeer hoog peil geweest en is dat nog.
E. v. S.