POINTERS en SETTERS
Pointers en Setters zijn, zoals welbekend, jachthonden en wel z.g. Staande honden van Britse origine, nazaten van de oude „Vogelhond”.
JACHTHONDEN.
Een der eerste taken, wellicht zelfs de eerste taak, die de wilde hond na zijn temming voor de mens had te verrichten, moet geweest zijn hem bij de jacht te helpen. Hoe die temming in zijn werk is gegaan is thans niet meer na te gaan, maar zonder twijfel heeft de oermens hierbij van de natuurlijke eigenschappen van de wilde hond, die als carnivoor zelf zijn prooi wist te bemachtigen, geprofiteerd. Was in deze eerste tijden het jachtbedrijf nog een vorm, zelfs de voornaamste vorm van levensonderhoud, allengs werden ook andere bronnen gevonden. Deze laatste werden steeds meer overheersend, waardoor het jachtbedrijf steeds minder belangrijk werd als bron van levensonderhoud en meer als vermaak ging dienen. Aanvankelijk een vermaak voor vorsten en hun voornaamste medewerkers, de adel en de clergé, in de loop der jaren verdemocratiseerd tot een sport voor hen die van de jacht als zodanig houden. Zo ontstonden in de vroege Middeleeuwen de drie bekende hoofdsoorten van jachthonden, de Windhond, de Brak of Lopende hond en de Vogelhond.
De Windhond, snel en voornamelijk op het gezicht jagende : de Brak, met lage neus en hoge staart voornamelijk op haarwild werkende; de eigenlijke „Jachthond” der oude geschriften, samen met de Windhond „edele” honden en de Vogelhond, met hoge neus en lage staarthouding zoekende en drijvende, in de eerste plaats geïnteresseerd in vederwild. Door de verschillende soorten van haar- en vederwild waarop gejaagd werd, waren ook verschillende soorten van honden nodig om elk van deze bedrijven zo goed mogelijk te kunnen beoefenen. Aan de andere kant speelde als zeer belangrijke factor in de differentiatie de verschillende jachthonden ook de ontwikkeling van de jachtwapens, als pijl en boog, speer, tiras en vooral het geweer in zijn verschillende stadia van ontwikkeling, een overwegende rol. Last but not least, ook de soorten van terrein, bos, heide, bergen e.d., het klimaat waarin en de aard der bevolking door wie gejaagd werd, hebben een grote invloed gehad op het ontstaan van de verschillende rassen van jachthonden. Uiteraard heeft ook Koning Mode zijn woordje hierin medegesproken.
DE „VOGELHOND”.
Een van de oudste vormen van honden voor de korte jacht is de „Vogelhond”. Zijn eerste glanstijdperk had de Vogelhond in de vroege Middeleeuwen, als de helper van de havik, de onedele jachtvogel. Valk, Brak en Windhond waren de edele jachtdieren. Hiervan mochten zich alleen de adel, de clergé en enkele geprivilegieerden bedienen. De havik of „De Vogel” met de „Vogelhond” waren voor de jacht der eenvoudigen. Het „Livre du Roy Modus” uit de 13e eeuw beschrijft reeds de jacht met de vogel waarbij de Vogelhond als hulp wordt gebruikt. Gaston Phoebus in het in de 14e eeuw geschreven „les Déduiz de la Chasse” spreekt naast de Vogelhond, de Chien d'Oysel, als hulp bij de valkenjacht reeds over een „chien couchant” voor de jacht met het net. De chien d'oysel moest het wild opstoten voor de jachtvogel, zodat deze het, uit de dekking gejaagd, kon grijpen. Ook stootte hij het wild op voor de windhond, die niet in de dekking kan jagen daar hij op het gezicht werkt. Dit was een jachtwijze die vooral in Engeland nog al veel werd toegepast
De chien couchant is de voorloper van de „staande hond”. In de tijden dat het sleepnet (tiras) bij de jacht op hoenders in gebruik kwam werd dit voorstaan, dat voordien verre van gewaardeerd werd, tot een gewenste eigenschap. De hond moest het terrein afzoeken en als hij „stond”, trokken twee lieden het net over de hoenders en de hond. Daar de hond ook onder het net terecht kwam, leerde men hem in stede van voor te staan, zoals tegenwoordig geëist wordt, de hoenders liggende aan te wijzen. In oud Nederlands sprak men dan ook van de Leghond. In Engeland noemde men deze soort de Setting of Creeping spaniel, in tegenstelling tot de soort die het wild moest opstoten en de Springing spaniel werd genoemd
Dit soort honden zou uit Spanje afkomstig zijn. Aan deze vermoedelijk Spaanse origine heeft hij de naam Espaignholz, zoals Gaston Phoebus het noemt, te danken. Langzamerhand is dit geworden tot Epagneul in Frankrijk, Spaniel in Groot Brittannië en Spanjeel, soms ook Spillioen in Nederland. Ook noemde men in ons land de Vogelhond wel Spioen, de speurende, de zoekende. Werd de eerste draagbare vuurwapens reeds in de 15e eeuw vervaardigd, door hun gewicht en ontstekingsinrichting waren deze alleen geschikt om op zittend wild te schieten. Wel gaf de uitvinding van de loden hagel in het einde der 16e eeuw verbetering, toch hielden de jachtgerechtigden zich tot het begin der 18e eeuw nog aan de oude middelen, als jachtvogel, windhond, brak en net.
In 1620 werd een verbeterde ontstekingsinrichting aan het geweer uitgevonden, zodat daarmee in alle richtingen kon worden gevuurd (het z.g. „feu-couvert”). Hiermede was het mogelijk vederwild in de vlucht en haarwild in beweging te schieten. Toen daarenboven in het begin der 18e eeuw ook het dubbelloops geweer werd ingevoerd, kreeg de jacht met het geweer geheel de overhand. Door deze totale ommekeer in jachtwijze, werden ook aan de honden geheel andere eisen gesteld. Zij werden steeds meer gespecialiseerd en ieder voor een bepaald onderdeel der jacht gefokt. Het sterkst komt dit in het sportieve Engeland tot uiting. Zo leren wij kennen:
a. Spaniels, drijfhonden, die het wild opzoeken en het uit de dekking drijven, zodat de jager het kan schieten.
b. Staande honden, die het wild opzoeken en het door voorstaan aanwijzen en vasthouden tot de jager op schootafstand is gekomen.
c. Apporterende honden, die het geschoten wild aan de jager brengen of aangeschoten wild opzoeken.