MIJN EERSTE ENGELSE SETTER
HOE MOEILIJK HET WAS ER LATER WEER EEN
TE KRIJGEN EN
WAT ZE VOOR IEMAND KUNNEN BETEKENEN
Bij wijze van spreken ben ik geboren met een jachthond naast mijn wieg. Het toppunt van geluk in mijn prille jeugd was om even op een paard te zitten, maar een hond was er altijd, binnenshuis en buiten. Toen in 1914 een jachtvriend van mijn vader kwam vragen of wij zijn net gekochte hond wilden overnemen, omdat hij toch eigenlijk een andere ras wilde hebben, bleek dit een Engelse Setter te zijn. Hij wilde hem graag goed plaatsen en vond dat de hond geen betere verzorging kon krijgen dan bij mijn moeder, terwijl mijn vader hem voor de jacht zou kunnen gebruiken. Na enige aarzeling ging het door en "Blue Star" kwam. Ik was toen 12 jaar maar vanaf die dag was de Engelse Setter het ras voor mijn leven. Hij was afgericht voor de jacht, apporteerde zelfs, wat toch eigenlijk niet het werk van een Setter is.
Om te laten zien hoe "zacht in de bek" ze zijn, gingen we o.a. eens een rauw ei neerleggen en na het bevel apport werd die gebracht en keurig zittende afgegeven zonder één barstje er in.
In die tijd was het de gewoonte dat de hond vrij naast het achterwiel van de fiets liep als hij mee uitging. Op een middag dat mijn vader een paar uur op de jacht wilde met Blue Star, ging hij eerst een eind op de fiets tot buiten het dorp. Op de terugweg merkte hij wel dat vlak bij het dorp de hond even achter bleef, doch gaf er verder geen aandacht aan. Toen hij een poosje thuis was geweest, zo na een uurtje, zei hij, "ik ga toch eens kijken waar die hond is gebleven". Hij wist precies waar hij was achter gebleven, en daar aangekomen zag hij Blue Star een eindje van de weg af roerloos staand voor patrijzen. Ik weet niet of dit jagerslatijn is, maar wij hebben het indertijd wel als echt geaccepteerd.
Wat tegenwoordig helaas nog zo dikwijls gebeurt, gebeurde ook toen al. Blue Star werd aangereden door een auto. Sporadisch reed er hier nog maar een, hoge koetsenwagens met grote koperen lantaarns, maar op een dag gebeurde het toen hij van zijn gebruikelijke wandeling thuis kwam.
Daar lag hij midden op de weg. Een dierenarts was er nog niet in het dorp, telefoon niet dichtbij en moest ik op de fiets naar Assen voor een dierenarts, een uurtje rijden. Gelukkig had deze al een auto en was er vlug.
Een grote wond, men kon er een vuist in steken. Toen de dierenarts hem had verzorgd zei hij "nu moeten je moeder en jij een broek voor hem maken". Zo gebeurde, we legden hem in de serre en konden hem zo gemakkelijk zo nu en dan op het gazon zetten. Hij werd weer helemaal beter.
Toen Blue Star gestorven was, was er enige jaren geen Setter. Waar kreeg men er een, we hoorden er nooit van. Tot ik in de Ned. Jager een advertentie zag: "Engelse Setter aangeboden". Ik werd wild, maar 't was ver weg, in Oisterwijk en mijn familie was honkvast. Er moest iets op gevonden worden. Er was een sterrit uitgeschreven ter gelegenheid van de opening van de Waalbrug, mijn broer wèl motor en auto enthousiast en kreeg ik de heren zover die rit mee te maken, we waren dan immers dicht bij Brabant. Na in Oisterwijk het adres te hebben gevonden, werd ik op een klein binnenplaatsje gelaten. Daar in de hoek lag een donker hoopje waar schijnbaar geen leven in zat.