Geschiedenis en fokkerij
De honden die in de tijd van Gaston de Foix werden gebruikt waren over het algemeen wit met vlekken. Het eerst schreef in 1576 de bekende Prof. Caius, over deze honden in het Latijns. Dit werd na zijn dood vertaald in het Engels door Abraham Fleming en in 1596 gepubliceerd. In „Of English Dogges” verdeelde hij deze honden in 2 groepen. De honden die voor de jacht te land en die voor de jacht te water werden gebruikt. De honden die speciaal voor de jacht met het net werden gebruikt gaf hij de naam van Setter; de honden die gebruikt werden voor de jacht met de valk noemde hij Spaniels. De 3e groep noemde hij water-spaniels. De benaming Setter werd echter niet door volgende schrijvers gebruikt. Tweehonderd jaar later werden de honden die voor de jacht met het net werden gebruikt nog steeds de „Setting Spaniel” genoemd, terwijl het woord „Setter” meestal in het algemeen gebruikt werd voor de jacht met het geweer. Interessant is dat in het werkje „English Setters, Ancient and Modern” een groot gedeelte van „The English Dogges” is opgenomen.
Reeds in 1815 publiceerde Sydenham Edwards een gravure waarop de Engelse, Ierse en Gordon Setters waren afgebeeld. In 1814 verschijnt een boek „Kynopedia” van William Dobson, waarin instructies waren opgenomen, hoe men de honden het „voorstaan” leert i.p.v. te jagen zoals de Spaniels tegenwoordig doen. Het is ook bekend dat dat tegenwoordig de oude generatie van jagers in Cumberland en andere gedeelten van Noord Engeland nog steeds spreken van de Spaniel of van Spaniel Dog.
Deze voorgeschiedenis geeft duidelijk weer dat de Setters uit de Spaniels zijn voortgekomen.
In 1800 werd Edward Laverack geboren, die vanaf zijn 19e jaar zich geheel ging toeleggen op het fokken van jacht met Setters. Het boek dat hij in 1872 publiceerde „de Setter” is historisch van grote waarde. Diverse Setter kenners ontkennen dat o.a. De Edmont Castle Setters, Beaufort Setters van Lord Lovat en vele anderen, later had elk zijn eigen kleur. Er waren zelfs geheel zwarte Setters, zelfs met dubbele neuzen, ook bij de Collie te zien. Deze honden werden uitsluitend voor de jacht gebruikt en kwamen nooit op een tentoonstelling. Enkele kennels zijn door de oorlog geheel verdwenen.
De honden die toen nog in leven waren stierven aan de Hard Pad.
De Engelse Setter Club, altijd bestuurd door liefhebbers van veldwedstrijden, werd in 1890 opgericht. Mr. R. R. P. Wearing publiceerde in 1912 de standaard. Deze standaard werd in 1930 door de Kennel Club erkend. zoals men die bij oude en nieuwe standaard. De erkende kleuren zijn: black and white, lemon and white, liver and white en black, white and tan. De vachten die over het gehele lichaam vlekjes vertonen worden geprefereerd.
Edward Laverack (1800-1877) heeft zijn leven lang gejaagd en gefokt. Hij deed niets anders. Aan de statistieken te zien waren er die tijd veel fazanten (momenteel ben je blij als je er één ziet). De jagers schoten soms 35 tot 40 vogels per dag. Er was volop werk voor de honden en goed jagende Setters waren zeer gewaardeerd. Laverack kocht van de Harrison kennel in 1825 een onovertroffen ras, Ponto, en een zilver-zwarte teef, Old Moll. (Tegenwoordig zou men zeggen een zwarte miskleur en een blue belton). De zonen, dochters, kleinzonen en kleindochters van Ponto en Old Moll werden gedurende 5 generaties met elkaar gepaard. Zonder een „out-cross” te gebruiken. De eigenschappen waarop hij selecteerde waren een goede neus en uithoudingsvermogen. Hij had Setters die 3 weken dagelijks van 9 v.m. tot 7 n.m. werden bejaagd.
Laverack had echter ook vijanden. Hem werd meegedeeld dat hij niet de juiste honden in de stamboom opgaf. Laverack was de eerste die stambomen uitgaf. Zijn nakomelingen bewezen dat er wel degelijk met andere honden is gekruist. In de jaren na zijn dood werden vele van de nakomelingen als uit kruisingen geboren herkend. Vooral R. L. P. Llewellin heeft zich in de afstammelingen van de nakomelingen verdiept. Hij heeft zelfs bij de Kennel Club een protest ingediend.
In 1874 is een van de eerste Engelse Setters, de reu „Pride of the Border” geëxporteerd naar Mr. C. H. Raymond in de USA.