De Engelse Setter: Geschiedenis en Ontwikkeling
De Engelse Setter behoort tot de Britse „Staande Honden”. Onder „Staande Hond” verstaat men een jachthond die geluidloos jaagt, d.w.z. zonder blaffen, zonder „hals” te geven. Terwijl hij met hooggehouden hoofd de verwaaiing opneemt. Heeft hij wild gevonden dan wijst hij het de jager aan door er roerloos voor te blijven staan. Dit is een eigenschap die het type van deze jachthonden zo kenmerkt. Daar de Engelsman naast jachteigenschappen ook uiterlijk schoon bij zijn werkhonden hoog waardeert, is de Setter evenals de Ierse en Gordon Setter en de Pointer een zeer elegante en mooie verschijning.
De gegevens over de Engelse Setter heeft men kunnen bestuderen, door het verkrijgen van vele oude boeken, waarin fokkers noteerden welke combinaties men had genomen. Deze boeken gaan terug tot 1387. Gemakkelijk was dat niet, daar diverse namen voor verschillende honden werden gebruikt. Zo komt de naam „Dash” veelvuldig voor. Het is ook gebeurd dat dezelfde hond onder verschillende namen werd ingeschreven.
Pas in 1946 is de Kennel Club gaan bepalen dat een kennelnaam eenmaal in het stambomenboek genoteerd, niet meer veranderd mag worden. U begrijpt dat het onderzoek vele jaren in beslag heeft genomen, voordat men tot publicatie kwam van het boek „The English Setter, Ancient and Modern”.
Om een complete geschiedenis van de Engelse Setter te geven, zonder verdwaald te raken in de fokgegevens van diverse kennels heeft men besloten het eerste hoofdstuk aan de vroegere Spaniel-familie werd uiteindelijk opgesplitst in diverse groepen van Spaniels en Setters. Dit nam ongeveer een 400 jaar in beslag. In deze periode werd de naam Spaniel in één van de groepen veranderd in Setting Spaniel, daarna in Setters om uiteindelijk gesplitst te worden in de 3 Setterrassen, zoals wij die vandaag kennen.
De allereerste gegevens over de Spaniels heeft men van de Franse Graaf, Gaston de Foix, die in 1387 een boek schreef „Livre de Chasse”. Dit boek werd in het Engels vertaald door de Hertog van York in 1410. Het kreeg de titel van „The Master of Game”. Gaston de Foix woonde in Zuid Frankrijk en was in die tijd een belangrijk man. Bezat een groot landgoed, was bemiddeld zodat hij zeer gastvrij kon zijn. Hij jaagde veel en bezat honderden honden van diverse rassen. Hij woonde toen dichtbij de grens met Spanje. Men neemt aan dat deze honden de naam van dat land kregen, maar of dat juist is óf dat deze honden uit het Oosten waren geïmporteerd, is tot op heden nog onbekend.
In Engeland heeft men de beschrijving van de Spaniels in het „The Master of Game” altijd als vaststaand aangenomen. Alhoewel later bleek dat de vertaling uit het Franse boek niet altijd correct was. Deze honden werden als volgt beschreven: zij kwispelden altijd met hun staartje, waren zeer aanhankelijk, waren uitgesproken jagers op patrijzen en fazanten. In de tijd van Gaston de Foix werd met het net gejaagd. (Pas in 1800 ging men op de jacht met het geweer over).