De Hondenwereld April 1978

De Engelse Setter

De Setters zijn Britse staande honden. Onder een "staande hond" verstaat men een jachthond die zonder te blaffen jaagt, terwijl hij met hooggehouden hoofd de verwaaiing (d.i. de lucht, die van het wild uitgaat) opneemt. Heeft hij wild gevonden, dan wijst hij het de jager aan door er roerloos voor te blijven staan.

Zonder twijfel is de Setter ontstaan uit de Spaniel, de Engelse stam van de vogelhond. Over het algemeen wordt aangenomen, dat deze vogelhond van Spaanse afkomst is. Men neemt verder aan, dat de vogelhond, nadat hij zich over het Europese vasteland verbreid had, ook naar Engeland zou zijn overgebracht. In ieder geval wordt hij reeds vroeg in Engeland aangetroffen. Het soort honden, dat het wild op moest stoten, werd met "Springing Spaniel" 

aangeduid. Het soort honden, dat voor het wild kroop of lag, werd de Creeping of Setting Spaniel genoemd. Deze Setting Spaniels zijn de voorlopers van de Setter. Typisch is een oud document, gedateerd 7 oktober 1685, waarin een zekere John Harris verklaart een som van 32 shillings te hebben ontvangen van Henny Herbert, teneinde hiervoor tot 1 maart bij zich te houden een Spaniel teef, die hij zal leren staan voor patrijzen, fazanten en ander wild, geheel zoals de beste "sittingdogs" dat plegen te doen.
De naam "Setter" verschijnt voor het eerst in het werk van dr. Keyes, lijfarts van H.M. Koningin Elizabeth.

Daar hij in het Latijn schreef, noemde hij zich dr. Cajus. Het boek verscheen in 1576 en werd korte tijd later door Alb. Fleming in het Engels vertaald. Zijn beschrijving van het werk van een Setting Spaniel geeft hem aanleiding voor te stellen deze hond "Setter" te noemen. In de 18e en 19e eeuw zijn het twee Engelsen geweest, die een groot deel van hun energie, tijd en geld gegeven hebben aan de bouw van de Engelse Setters. Dat waren Edward Laverack en Purcell Llewelling. Edward Laverack zou volgens het door hem geschreven boek "The Setter" zijn gehele stam opgebouwd hebben uit twee honden: Ponto en Old Moll; beide honden waren blue beltons. Later kwamen ook lemon en oranje-beltons en enkele tricolors (zwart-wit-tan) voor. Toen Laverack in 1877 overleed, liet hij slechts 5 honden na. Na Laverack kwam de heer R. U. Purcell Llewellin sterk naar voren. Na eerst Gordon en Ierse Setters gefokt te hebben, concentreerde hij zich volkomen op 4 Laverack Setters. Het waren prachtige honden, doch zeer eigenzinnig, wat hem niet beviel. In 1871 kocht hij op een veldwedstrijd twee Setters — Dan en Dick — daarna nog de zuster Dora, inclusief de vader en moeder. Deze honden, gekruist met zijn eigen Laveracks, gaven Llewellin eindelijk die Setters waarnaar hij zolang gezocht had: de mooie en goede Setters. De op deze wijze gefokte Setters werden Llewellin Setters genoemd, een naam die vooral in Amerika veel werd gebruikt. Llewellin overleed in 1925, juist 100 jaar nadat Laverack met zijn Ponto en Old Moll begonnen was. Deze eeuw is van onschatbare betekenis voor de Engelse Setters geweest. In latere jaren is het aantal uit Engeland naar Nederland ingevoerde Engelse Setters zeer groot geweest. Zij die het meest voor de Engelse Setter gedaan heeft in de jaren vóór 1914, is zonder twijfel mevr. B. H. Paine Stricker geweest. De stand van de Engelse Setter was in die jaren buitengewoon hoog. Buiten Engeland was er geen land waar het Mallwyd bloed zo goed vertegenwoordigd was. Beide oorlogen hebben echter ook dit ras veel schade berokkend. De laatste jaren zijn echter weer zeer mooie honden naar voren gekomen, zowel in Engeland als hier in Nederland. In Engeland werd Crufts 1977 gewonnen door de Engelse Setter reu Bournehouse Dancing Master van mr. G. F. Williams. Na deze overwinning werd de aandacht sterk gevestigd op dit zo sierlijke en robuuste, bijzonder mooie jachthonden-ras.

Attleford Silver Button "Boets" NHSB (Imp. Eng.) 611872 Geb. 19-5-1972 Iroquois Whiteseal Silvermorn x Attleford Silver Lining F. mrs. M.J. Thomas Eig. Henk Wunderink

De bouw van de Engelse Setter

Het hoofd moet lang zijn en tamelijk licht, doch ook weer niet overdreven. Geen zwaar hoofd met een aanmerkelijke diepe voorsnuit. Ogen zijn donker, met een zachte uitdrukking. Zeer verstandig; donker hazelnoot van kleur, mag iets donkerder of lichter al naar gelang de kleur van de beharing. De oren zijn laag aangezet, plat tegen de wangen. Meer lang dan breed, niet te puntig en niet te dun van vel. Een mooie, gespierde hals, overgaand in zeer schuinliggende schouders. Hoe meer hellend hoe liever; steile schouders zijn verwerpelijk. Rug kort en horizontaal, borstkas tamelijk breed met goed geronde ribben. In geen geval smal in borstkas. Stevige ribben, de lendenen breed met goed gehoekte achterhand. De staart in één lijn met de rug, matig lang, enigszins gebogen of sabelvormig, maar zonder neiging omhoog te krullen. De vlag of bevedering lang afhangend, bij het lichaam beginnend, langer wordend naar het midden toe, daarna meelopend tot de staartpunt. Het haar van de vacht is lang, glanzend, zacht en zijdeachtig, gegolfd maar zonder krul. Een goede vacht is bijzonder gewenst en getuigt van een goede afkomst.

In het jachtveld moet de Setter vlug zijn, vrij en ongedwongen, het hoofd hoog gedragen, in galop flink zwaaiend met de staart, terwijl hij, onafhankelijk van andere honden, het jachtveld gelijkmatig afzoekt. Vol temperament, op volle snelheid om het wild cirkelend en voorstaan als versteend: dood als een standbeeld. In feite een stevige, compacte, goed gebouwde hond, met een diepe, vrij brede borst en lendenen. Daarnaast een en al sierlijkheid en waardige rust. Van de drie Setters eerlijk gezegd wel de meest aristocratische. Een van de beste boeken over dit ras werd door de heer G. J. Verweij geschreven: Setters en Pointers. 

Tekst: Ploon de Raad.

Foto: Tim Hagendoorn.