Engels op z'n Amerikaans
Het vervolg op de twee voorgaande artikelen over de Engelse Setter kan eigenlijk niet anders bestaan dan uit een nadere kennismaking met de Fairray fokproducten van Hans Sleegers. Hij wordt beschouwd als de tweede pionier van de Engelse Setter in Nederland en zijn kynologische prestaties zijn gegrondvest op een rotsvast vertrouwen in de Amerikaanse versie van de Engelse Setter.
Hans Sleegers was er vroeg bij, wist ook al snel wat hij wilde. Hij moest nog echt gaan puberen – heeft hij eigenlijk wel echt gepuberd? – toen hij al besloten had dat hij geen Schotse Herdershond Langhaar wilde, noch een Barsoi. Een Engelse Setter moest het worden, maar niet van de soort die toentertijd, midden zeventiger jaren, gewoon was in Nederland. Die zag hij als „krom”. Dit harde oordeel kwam dus uit de mond van een menneke van 15 na koud twee maanden zijn uitverkoren ras te hebben bekeken.
Van de Veldhovense hondenman Toon van Doremalen kreeg hij een Our Dogs Annual te leen. Hans bekeek de advertenties van Britse Engelse Setter fokkers en raakte niet onder de indruk. Hij was wel meteen gecharmeerd van de Leighton Engelse Setters van de Canadese fokster Joan Vance. Brieven werden gestuurd, beantwoord met stambomen en foto’s en met wat later de stammoeder van de Fairray kennel van Hans Sleegers zou worden, Culmstock Leighton Blaze.
Hoe de Fairray kennel zich verder ontwikkelde, wat namen en resultaten betreft, is al ruim belicht in het artikel van Boy de Bok over de Engelse Setter in Nederland. Ik wil me hier beperken tot de evolutie die Hans’ fokkerij – met nadruk op het uiterlijk van zijn honden – heeft ondergaan en zijn overwegingen om zich te blijven richten op Amerika.
Anti-campagne
In den beginne liep Hans geen platte prijs en er werd een heuse anti-campagne gestart tegen 'de Amerikanen'. „De critici hadden wel gelijk op een aantal punten. De ogen konden donkerder, de hoofden waren gerekter en hadden een hardere gezichtsuitdrukking. De schouders lagen steiler, waardoor de hond een aflopende ruglijn toonde.” Hans accentueerde dat afwijkende silhouet door zijn honden „te lers, te lang” te showen.
Hij heeft er geen last van om dat toe te geven, „maar daar stond tegenover dat de Amerikanen sounder waren, ze konden lopen, ze hadden rijke vachten, volledige schaargebitten en met de vruchtbaarheid was het ook veel beter gesteld dan bij de puur Engelse honden. En de Engelsen werden nooit geselecteerd in de groep, laat staan dat ze een best-in-show onder een allrounder konden winnen. Een mooi, 'flashy' gangwerk, vergeet het maar.”
Echt showdier
Een 'showpikkie' is Hans altijd geweest, en binnen afzienbare tijd kon hij schitteren met zijn honden in de eindkeuring tot op de hoogste plaats van het ereschavot, maar dat wil niet zeggen dat hij alleen maar uit was op het winnen van de BIS. „Ik heb een hond gehad, Camarque, als die in de ring kwam, werd hij drie keer zo groot, een echt showdier. Maar ik was niet tevreden over hem. Hij had echt een steile schouder.” Na enige tijd wilde Hans zijn honden verbeteren op punten die niet gemeengoed zijn in de Amerikaanse versie van de Engelse Setter. Het lag voor de hand om naar Engeland te gaan, deed hij ook, maar zijn waardering voor de Britse bleef onveranderd: „Telkens als ik Crufts bezoek dan zie ik wel dat ze mooiere types hebben, met name de hoofden zijn schitterend. Maar als ik ze dan weer zie lopen, uitdraaiende ellebogen (daar kan ik absoluut niet tegen), zwakke ruggen, koehakkig en weinig 'showy'. Nee, ze hebben daar echt nieuw bloed nodig.”
Tevredenheid
Er restte hem niets anders dan terug te keren naar zijn 'roots', de Verenigde Staten dus, waar anders dan op de 'specialties'. Hij ging op zoek naar Engelse eigenschappen in Amerikaanse honden, zonder dat hij hoefde in te leveren op voor hem essentiële zaken als 'soundness', 'showmanship' en als we dan toch zo bezig zijn, 'movement'.
We spreken over het midden van de tachtiger jaren, juist de periode waarin de Amerikaanse fokkers zelf ook bezig waren om hun honden te verbeteren; 'Engelser maken', met name van de hoofden - boller, zachtere uitdrukking - van de hoofden. De honden werden gevonden en naar België gehaald, waar Hans ondertussen was neergestreken, en ingezet in de fokkerij. Nu, weer tien jaar later, kijkt Hans met tevredenheid naar de soort van Engelse Setter die hij in Overpelt heeft lopen. „Het is me gelukt om de hoofden – boller, zachtere uitdrukking – en de schouderligging van mijn honden te verbeteren.”
En hij is geslaagd in het creëren van een herkenbaar Fairray-type. Zelf omschrijft hij dat als volgt: „stabiele, sounde honden met goed beenwerk en een vaste rug, met grote passen voortbewegend, alsof ze er een V8 motor achter in hebben liggen, met weelderige vachten, honden die hè́t hebben. Bovendien heb ik nu alleen rustige honden in de kennels en nerveuze moeders zijn ook verleden tijd.”
En dat alles in de kleurslag orange belton, hoewel het niet zijn favoriete kleur is. Hij heeft wel enkele pogingen ondernomen met de andere kleurslagen, maar niet met het resultaat dat hij van de honden met zijn 'huiskleur' gewoon is.