TYPE VERSCHIL BIJ DE ENGELSE SETTER

Tekst: Boy de Bok

Gepubliceerd in het maandblad De Hondenwereld van juni 1997

Overname en herpublicatie op Setterworld met toestemming van de schrijver en uitgever

De in Nederland aanwezige Engelse Setters kun je globaal in drie type onderverdelen; het werk-of jachttype, het Amerikaanse type en het Engelse type. Van het ontstaan hiervan moeten we terug naar de beginperiode van het ras.

In 1825 kocht Edward Laverack van Reverend Harrison de reu Ponto en de teef Old Moll. De honden kwamen uit een stam die al 35 jaar zuiver gefokt werd. Door pure inteelt en zorgvuldig selecteren kreeg Laverack uiteindelijk wat hij zocht, een onvermoeibare jager die bovendien de aandacht trok door zijn fraaie uiterlijk. In die tijdwaren er echter meer mensen die er een eigen stam Setters op na hielden of experimenteerden met het kruisen van de diversen stammen. Maar de stam van Laverack was op dat moment het meest gewild zodat zijn invloed op het ras het grootst was. Een van de personen die al jaren experimenteerde met verschillende Setterrassen was Purcell Llewellin. Na vele terleurstellingen kocht hij voor veel geld pure laveracks maar ook deze vond hij niet volmaakt, ze waren te eigenzinnig. Op een zeker dag zag hij op een fieldtrail een koppel Setters waarvan het werk hem zeer bekoorde. Ter plekke kocht hij de honden en niet lang daarna kocht hij ook de moeder van deze twee. De moeder was een kruising van een Gordon Setter met een onbekende hond. Deze Setters, en nog andere, kruiste Llewellin met de pure Laveracks en eindelijk kreeg hij wat hij zocht: een Engelse Setter die bijna onverslaanbaar was op de veldwedstrijden en een hond die gemakkelijk te beleren was. Schoonheid speelde bij Llewellin geen enkele rol, alleen het resultaat op de fieldtrails telde voor hem. Door de successen op de veldwedstrijden was er een enorme vraag naar de honden van Llewellin, vooral uit Amerika, maar ook uit Europa. In 1925 overleed Purcell Llewellin maar zijn stam Engelse Setters werd nog jaren na zijn dood fokzuiver gehouden. In het begin waren er dus al duidelijk twee verschillende typen Engelse Setters, het Laverack type dat vooral op tentoonstellingen hoge ogen gooide en het Llewellin type dat op fieldtrails uitblonk. Het wedstrijdelement van zowel de tentoonstelling als die van de veldwedstrijd heeft deze twee typen uiteindelijk onoverbrugbaar uit elkaar gedreven. Het derde type, het Amerikaanse, is eigenlijk bij toeval ontstaan. Zoals eerder gemeld gingen er veel Setters van Purcell Llewellin naar Amerika. Toen in Amerika de hondententoonstelling meer terrein begon te winnen, werd ook daar van de jachthond een showhond gemaakt. Het verschil met Engeland was echter dat men hier de Llewellin Setter, een pure werkhond dus, een showhond ging maken. Tot overmaat van ramp maakten de Amerikanen ook een eigen rasstandaard voor ‘hun’Engelse Setter. Een standaard die nogal afweek, en afwijkt van de standaard die in Engeland, en dus alle FCI-landen, van kracht is.

Aan de hand van de rasstandaard en door middel van foto’s zal ik proberen het verschil in de drie typen uit te leggen. Doordat sommige details in het typeverschil door middel van foto’s moeilijk weer te geven zijn beperken we ons tot de echt zichtbare verschillen. Het hoofd moet volgens de standaard zijn: redelijk droog met een duidelijk aangegeven stop. De schedel is ovaal van oor tot oor met veel ruimte voor de hersenen en met een duidelijke achterhoofds-knobbel. De voorsnuit matig diep en tamelijk vierkant, van neuspunt tot stop even lang als van stop tot achterhoofdsknobbel. Brede neusgaten en de kaken bijna even lang, lippen niet te sterk overhangend; neuskleur zwart of leverkleurig afhankelijk van de kleur van de beharing.

Links een Engelshoofd en rechts een Amerikaanshoofd
De foto van het Engelse hoofd toont een bijna ideaal hoofd is wel langmaar toont toch bijna vierkant. De rasstandaard zegt immers dat de snuit bijna vierkant moet zijn en dat de verhouding van de snuiten de rest van het hoofd gelijk moet zijn. Met andere woorden: het gehele hoofd moet een tamelijk vierkante indruk maken. Het hoofd is redelijk droog en heeft een duidelijk aangegeven stop. De ogen zijn amandelvormig en hebben een uitdrukkings-volle, zachte expressie.

Als we nu het hoofd van de Amerikaan bekijken zien we onmiddelijk dat dit hoofd niet vierkant toont maar zeer lang. De snuit mist de diepte om deze vierkant te doen lijken, en het hoofd is te droog waardoor het geheel een harde indruk geeft. Door het almaar langer fokken van het hoofd is het hoofd ook smaller dan gewenst en de duidelijk aangegeven stop is gereduceerd tot een sober glijbaantje. De schedel is niet meer ovaal van oor tot oor maar is van boven plat en alleen bij de ooraanzet ovaal. Doordat de schedel niet meer ovaal is fokt men in Amerika de ooraanzet ook onder de ooglijn zodat de ooraanzet toch laag is. Bij de ovale schedel, zoals bij de Engelse, zit hetoor op één lijn met het oog zoals het hoort. Het Amerikaanse hoofd voldoet echter wel aan de Amerikaanse standaard. Deze zegt immers dat het hoofd lang en droog moet zijn en ovaal van bovenaf gezien. Het oog wil de Engelse standaard ovaal en hoe donkerder hoe beter, met alleen voor de leverkleurige een uitzondering, deze mogen geel zijn. De Amerikanen willen een groot rond oog en voor de leverkleurige wordt geen uitzondering gemaakt. Volgens de standaard moet het gebit compleet en scharend zijn. De Amerikaanse standaard staat ook een tanggebit toe.

Werksetter hoofd
Bij het hoofd van de werksetter valt meteen op dat dit zeer kort en breed is zonder dat het een zwaar hoofd lijkt. De lippenpartij is veel strakker dan die van de twee voorgaande showsetters. Het bijgeloof wil namelijk dat een diep uitgesneden bek met veel lip een teken van luiheid en vadsigheid is. Het oog is klein om beschadiging tijdens het werk te voorkomen en de blik is fel en staat op oneindig. Zelden zie je een werksetter met een mooi en door de standaard vereist hoofd. En er is niet een voorjager die hier een verklaring voor heeft. Ik zie niet in waarom een Engelse Setter met een door de standaard vereist hoofd, zij het in wat mindere proporties, niet zou kunnen.

Engelse Setter
Bekijken we nu de foto van de Engelse Setter uit Engeland dan zien we een stevige, matige lange hond met een korte horizontale rug, goed gehoekt in voor-en achterhand, diepe borstkas met voldoende voorborst en vooral veel ruimte bij de achterste ribben. De hond heeft als het ware een ovale onderbelijning. Duidelijk is te zien dat dit exemplaar een stevige nek heeft en dat de staart aanzet net onder de rugbelijning zit. Het haarkleed is lang en golvend. Deze hond voldoet in grote mate aan de eisen gesteld in de standaard.

Amerikaanse Setter
Bij het aanschouwen van de foto van de Amerikaanse Setter zien we een heel ander plaatje. Een wat racy gebouwde hond,vrij lang van lichaam met een matiggehoekte voorhand en een overgehoekte achterhand. De ribbenkast is weliswaar diep maar mist voorborst en mist de ovale onderbelijning. Niet te zien op de foto, maar wel vereist volgens de Amerikaanse standaard, is de vrij vlakke ribbenpartij terwijl de Engelse een brede gewelfde ribbenkast eist. Ten opzichte van de vorige foto valt duidelijk het dunne nekje op en de zeer sterk aflopende toplijn. De staartaanzet is op een lijn met de rug en staart wordt duidelijk boven de rug lijn gedragen. De vacht is kaarsrecht zonder golven. Dit alles geeft meer profiel van een slechte Ierse Setter dan van een Engelse Setter. Maar deze hond voldoet wel aan de eisen gesteld in de Amerikaanse standaard voor de Engelse Setter.

Werksetter
Bij de werksetter valt meteen de stand op. Zo staat de Engelse Setter voor en niet op de manier zoals ze op de tentoonstelling worden neergezet. Komt de hond nog dichter op de patrijs dan zal hij z’n lichaam nog dieper tussen de ellebogen laten zakken; vandaar dat men een losse elleboog wenst. Dit wordt echter bij de showsetter vaak als fout aangerekend. Deze hond is uitmuntend gehoekt in voor- en achterhand, heeft een goede horizontale rugbelijning en een sterk gespierde nek. De Engelse Setter is een galoppeur en hiervoor is een hellend bekken een vereiste. Bij dit exemplaar is dit duidelijk te zien. Ook duidelijk zijn de minder grote vlekken op het lichaam. Deze hond voldoet eigenlijk best wel aan de eisen van de rasstandaard, al is het in bescheiden mate.

Als we nu alles op een rijtje zetten, voldoet de Amerikaan eigenlijk niet aan de standaardeisen die hier in Nederland van kracht zijn. Deze hond is duidelijk gefokt aan de hand van een zeer sterk afwijkende standaard. De werkelijkheid is echter dat als deze drie langs elkaar in de ring zouden staan de werksetter met een G’tje bij bordje drie mag gaan staan en de keurmeester eindeloos staat te dubben wie hij van de overige twee, met een dikke U, bij bordje twee zal gaan zetten. Al te lang staat vast dat veel keurmeesters de rasstandaard niet of nauwelijks kennen of deze te vrij interpreteren. Het is al veel vaker gezegd maar voor alle duidelijkheid nog maar een keer: men fokt wat de keurmeester bij bordje één zet. Het zijn dus uiteindelijk de keurmeesters die een ras naar de filistijnen (kunnen) helpen. Dus ook voor hen; wees zuinig op de Engelse Setter, de aristocraat onder de jachthonden.


Engelse setter