RASSTANDAARD NEDERLANDS

De onduidelijkheden omtrent de Rasstandaard van de Engelse Setter.

De regels van de FCI schrijven voor dat het land van herkomst van het ras de standaard bepaald. Voor de Engelse Setter zou dit dus Engeland zijn.
Verder erkent de FCI alle rasstandaards in slechts 4 talen; Frans, Engels, Duits en Spaans. De Nederlands talige versie is dus niet door de FCI erkent.
De laatste update van de rasstandaard door de FCI is van 7 september 1998, die van de Nederlandstalige is van 14 juni 1987. In 1996 heeft het bestuur van de Vereniging van Liefhebbers van de Engelse Setters een verzoek ingediend bij de Raad van Beheer voor een aangepaste vertaling maar dit verzoek is destijds afgewezen.
De standaardcommissie van de FCI heeft, na veel gelobby van vooral de rasverenigingen uit de zuidelijke landen van Europa, een verzoek ingediend bij de Britsche Kennelclub om de standaardmaten aan te passen aan wat zij als ideale maat beschouwen. Voor de reuen zou dit zijn van 58 cm tot 62 cm met een tolerantie van 2 cm voor de minimum hoogte, de teven zouden dan als maat gelden van 55 cm tot 60 cm eveneens met een tolerantie van 2 cm voor de minimum hoogte.
De laatste gereviseerde standaard van de Britsche Kennelclub dateert van augustus 1986 maar is, om aan het verzoek van de standaardcommissie van de FCI tegemoet te komen, in 2002 aangepast.
Bij general appearance is aan het eind toegevoegd: The working English Setter may be proportionally lighter in build.
Tot op heden heeft de FCI het blijkbaar niet nodig gevonden om hun standaard voor de Engelse Setter aan te passen en handelt dus in feite tegen haar eigen regels. Wordt vervolgd….

Algeheel beeld
Een matig grote hond met een strakke belijning, sierlijk in uiterlijk en in beweging

Algemene kenmerken:
Zeer levendig met een goede jachtaanleg.

Aard:
Buitengewoon vriendelijk en zachtaardig.

Hoofd en schedel:
Het hoofd wordt hoog gedragen, is lang en tamelijk droog met duidelijk aangegeven stop. De schedel is van oor tot oor ovaal met veel ruimte voor de achterhoofdsknobbel.
De voorsnuit is matig diep en tamelijk vierkant, van de stop tot neuspunt even lang als van achterhoofdsknobbel tot de ogen, brede neusgaten en de kaken bijna even lang, lippen niet te sterk overhangend;neuskleur zwart of leverkleurig, afhankelijk van de kleur van de beharing.

Ogen:
Helder, zachtaardig en uitdrukkingsvol, kleur varierend van hazelnootkleurig tot donkerbruin, hoe donkerder hoe beter. Alleen bij de liverbeltons is een lichter oog toegestaan. Ogen ovaal en niet uitpuilend.

Oren:
Middelmatig lang, laag aangezet en in mooie vouwen tegen de wangen aanliggend, het uiteinde fluweelachtig en het bovenste deel bedekt met fijn, zijdeachtig haar.

Gebit:
Sterke kaken met een perfect, regelmatig en compleet schaargebit, d.w.z. dat de boventanden vlak over de ondertanden heen sluiten en rechtin de kaak geplaatst zijn; de aanwezigheid van alle elementen is gewenst.

Hals:
Tamelijk lang, gespierd en droog, bovenaan licht gebogen en scherp omlijndbij de overgang naar het hoofd, naar de schouder toe breder en zeer bespierd, geen keelhuid in welke vorm ook, maar sierlijkheid uitstralend.

Voorhand:
Schouders goed naar achteren en schuin geplaatst, diepe borst, goed diep en breed tussen de schouderbladen, voorbenen recht en zeer bespierd met rond bot, ellebogen laag geplaatst en vlak tegen het lichaam aansluitend, korte ,sterke, ronde en rechte polsen.

Lichaam:
Middelmatig lang, kort en recht in de rug, met goed geronde en breed gewelfde ribben en diepe achterste ribben, d.w.z. goed geribd.

Achterhand:
Brede, licht gewelfde, sterke en gespierde lendenen, benen goed gespierd met inbegrip van de schenkel, goede kniehoeking en lange dijbenen van heup tot sprong, de sprongen niet naar binnen of naar buiten gedraaid en goed geplaatst.

Voeten:
Dikke voetzolen, stevig met goed aangesloten, goed gewelfde tenen, beschermd door haar ertussen.

Gangwerk/Beweging:
Vrije en sierlijke beweging, die snelheid en uithoudingsvermogen suggereert. de achterhand moet krachtig stuwen, waarbij de hakken zich op de juiste wijze bewegen. Van achteren bezien bewegen de heup-knie- en spronggewrichten zich in één lijn. Het hoofd wordt van nature hoog gedragen.

Staart:
Bijna in éénlijn met de rug aanzet, middelmatig lang, niet onder de sprong reikend, niet gekruld of touwachtig, licht gebogen of sabelvormig, maar zonder de neiging naar boven te krullen; de vlag of bevedering hangt in een lange franje. De bevedering begint iets onder de staartwortel, wordt langer in het midden en geleidelijk korter naar de staartpunt toe, het haar is lang, glanzend zacht en zijdeachtig gegolfd, maar niet gekruld. Vrolijk zwaaiend en gelijk met de ruglijn of er onder gedragen.

Beharing:
Van de achterzijde van het hoofd in de lijn van de oren licht gegolfd, niet gekruld, lang en zijdeachtig, zoals de hele vacht moet zijn, goede bevedering aan achter en voorbenen bijna tot aan de voeten reikend.

Kleur:
Zwart en wit(blue belton), oranje en wit(orange belton), citroen en wit(lemon belton) lever en wit(liver belton) of driekleurik d.w.z. blue belton en tan of liver bellton en tan. Honden zonder grote platen, maar met kleine vlekjes over het hele lichaam genieten de voorkeur.

Hoogte:
Reuen 65-68 cm (25 1/2 – 27 inch), teven 61-65 cm (24-25 1/2 inch).

Fouten:
Iedere afwijking van hetgeen inde standaard wordt gesteld moet als een fout worden beschouwd en de wijze waarop de fout wordt aangerekend moet nauwkeurig worden afgemeten aan de mate waarin de fout aanwezig is.

Opmerking:
De reuen moeten duidelijk twee normale testikels heben, die volledig in het scrotum zijn gedaald.